Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AN9169

Datum uitspraak2003-09-24
Datum gepubliceerd2003-12-30
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers164166 / FA RK 03-3421
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vervangende toestemming/blokkaderecht.


Uitspraak

rekestnr. 164166 / FA RK 03-3421 GK 18 september 2003 vervangende toestemming/blokkaderecht Rechtbank Utrecht BESCHIKKING van de kinderrechter op het verzoek van de voogdij-instelling, Bureau Jeugdzorg Utrecht tot het verlenen van vervangende toestemming tot wijziging van het verblijf van de minderjarige: [Naam minderjarige], geboren te Utrecht, op 12 maart 1988. Bij beschikking van 15 januari 1991 van de arrondissementsrechtbank te Utrecht is de Stichting Jeugd en Gezin Midden Nederland te Utrecht (thans genaamd Bureau Jeugdzorg Utrecht) benoemd tot voogdes over genoemde minderjarige. 1. Verloop van de procedure Op 7 juli 2003 heeft Bureau Jeugdzorg Utrecht, een verzoekschrift met bijlage ingediend dat strekt tot het verlenen van vervangende toestemming om wijziging te brengen in het verblijf van voornoemde minderjarige. Het verzoek is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 18 september 2003. Aanwezig waren: - de minderjarige; - mr. G.R. Dorhout-Tielken, raadsvrouw van de minderjarige; - [naam van de pleegmoeder], pleegmoeder; - mr. J.H. van der Werf, raadsvrouw van de pleegmoeder; - namens Bureau Jeugdzorg mevr. [D.S], vervangend gezinsvoogd - mevr. [M.J.M. H.], unitleider - Namens de Voorziening voor pleeggezinnnen mevr. [J.B.] en [A.B.] - Namens de Raad voor de kinderbescherming dhr R.Bakker 2. Vaststaande feiten - Voornoemde minderjarige is in het kader van ondertoezichtstelling in het pleeggezin van [de pleegmoeder] en [pleegmoeder 2] geplaatst toen zij acht dagen oud was. - In het gezin was toen reeds geplaatst de minderjarige [naam kind 2]. - Bij beschikking van 15 januari 1991 is de moeder ontheven van de voogdij over [naam minderjarige] met benoeming van de Stichting Jeugd en Gezin Midden Nederland tot voogdij- instelling (later Bureau Jeugdzorg Utrecht). - Het contact tussen de minderjarige en haar moeder is 2 maanden na de geboorte verbroken. - De minderjarige is bij [de pleegmoeder] blijven wonen nadat [de pleegmoeder] en [pleegmoeder 2] in 1995 besloten uit elkaar te gaan. Er kwam een regelmatige omgangsregeling. 3. Beoordeling van het verzochte De thans 15-jarige [naam minderjarige] woont haar hele leven bij haar pleegmoeder [naam pleegmoeder]. De voogdij-instelling wil haar daar weghalen omdat kort gezegd: · de situatie in het gezin niet veilig zou zijn voor [naam minderjarige] door de conflicten tussen pleegmoeder en de andere pleegdochter [naam kind 2], · de pleegmoeder niet in staat is [naam kind 2] tot het aangaan van gesprekken met de Riagg te motiveren en ook zelf niet van het hulpaanbod gebruik maakt, · de pleegmoeder onvoldoende openheid geeft, o.a. met betrekking tot haar gezondheid, · De voorziening voor pleeggezinnen de Rading besloten heeft de pleegmoeder niet meer te accepteren als pleegadres omdat zij het zicht op de opvoedingssituatie van [naam minderjarige] kwijt is geraakt. [Naam pleegmoeder], de pleegmoeder, verzet zich tegen een gedwongen vertrek van [naam minderjarige] uit haar gezin. Zij ervaart een sterke band met [naam minderjarige]. Zij stelt dat de problemen met [naam kind 2], die zij niet ontkent, thans niet meer aan de orde zijn, [naam kind 2] werkt en volgt een opleiding en de verhouding pleegmoeder [naam kind 2] is een stuk verbeterd. Zij heeft voorts gemotiveerd ontkend dat zij onvoldoende openheid zou hebben gegeven met betrekking tot haar gezondheid. Zij stelt dat de Rading haar niet meer als pleeggezin wil accepteren als gevolg van communicatie problemen. Zij is echter van mening dat het belang van [naam minderjarige] de doorslag moet geven. [Naam minderjarige] heeft ter zitting verklaard graag bij haar pleegmoeder te willen blijven en niet te begrijpen waarom zij daar weg zou moeten. Haar relatie met haar pleegmoeder en met haar pleegzus is goed. Zij ervaart geen problemen in de huidige situatie. Ook de relatie met haar andere moeder [naam pleegmoeder 2] is goed, zij kan daar altijd terecht als het nodig is i.v.m. de gezondheid van haar pleegmoeder. Zij heeft een brief overgelegd van haar school waarin staat dat de school zich geen zorgen over haar maakt. Naam pleegmoeder 2] heeft een brief geschreven. De strekking lijkt te zijn dat zij voor [naam minderjarige] wenst dat deze bij haar pleegmoeder [naam pleegmoeder] kan blijven wonen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd het verzoek in te willigen. De Raad is van mening dat de pleegmoeder onvoldoende openstaat voor begeleiding, hetgeen schadelijk is voor het kind. De kinderrechter overweegt het volgende: Het wettelijk criterium om een kind weg te halen uit een pleeggezin waar het meer dan een jaar verblijft is het belang van het kind. Noch uit het verzoekschrift, noch uit de rapportage van Bureau Jeugdzorg noch uit de rapportage van de Rading blijkt dat het niet goed zou gaan met [naam minderjarige]. Ook ter zitting is hiervan niet gebleken. De problemen die naar voren zijn gekomen duiden enerzijds op spanningen tussen pleegmoeder en de thans meerderjarige pleegdochter [naam kind 2] en anderzijds op spanningen en miscommunicatie of meningsverschillen tussen de pleegmoeder en de Voorziening voor Pleegzorg. Wat daarvan ook zij, gesteld noch gebleken is dat deze spanningen er toe leiden dat [naam minderjarige] zodanig in haar ontwikkeling wordt bedreigd dat een langer voortduren van de plaatsing niet verantwoord is. De voogdij-instelling heeft desgevraagd op de zitting verklaard dat de situatie van [naam minderjarige] bij pleegmoeder zeker niet van dien aard is dat, ware de pleegmoeder de biologische of juridische moeder geweest er aanleiding zou zijn voor een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing. Niet valt in te zien waarom de vraag of het in het belang van de minderjarige is om uithuis te worden geplaatst anders dient te worden beoordeeld in het geval van een minderjarige die bij de eigen moeder woont dan in het geval van een minderjarige die sinds ze 8 dagen oud is 15 jaar onafgebroken in een pleeggezin woont. Het weghalen van [naam minderjarige] bij haar pleegmoeder wordt derhalve niet in haar belang geacht. Het verzoek wordt daarom afgewezen. 4. Beslissing De kinderrechter Wijst het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot wijziging van het verblijf van de minderjarige bij [naam pleegmoeder] af; Bepaalt, gelet op artikel 336a BW, dat deze beschikking van kracht blijft gedurende 6 maanden, eindigend op 24 maart 2004, tenzij voor het einde van deze termijn een verzoek als bedoeld in artikel 299a BW aanhangig is gemaakt, in welk geval deze beschikking blijft gelden totdat op het verzoek onherroepelijk is beslist. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 24 september 2003 door mr. A.C. Quik-Schuijt, kinderrechter, in bijzijn van G. With als griffier.